DRPP
Klein maar zonder grenzen
Roland DE ROUCK Advocaat

Advocaat aan de balie te Dendermonde sinds 1982 en bijkomend te Gent sinds 2013. Nederlands, Frans, Duits. (Voor meer uitleg klik op beeld)

naar overzicht

ALIMENTATIEGELDEN BIJ ECHTSCHEIDING

De objectivering van de berekening van alimentatiegelden


1) VOOR DE KINDEREN:

1. De wet van 19 maart 2010 tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen tracht een oplossing te bieden aan het alom gekende probleem betreffende het begroten van onderhoudsgelden dewelke ouders lastens hun kinderen verschuldigd zijn. 

Er diende telkens te worden teruggegrepen naar artikel 203 §1 B.W. waarin werd gesteld dat ouders “naar evenredigheid van hun middelen” hiertoe moesten bijdragen. Bij gebreke aan duidelijke criteria en richtlijnen impliceerde dit vaak dat – afhankelijk aan welke rechter dergelijk geschil werd voorgelegd – totaal uiteenlopende uitspraken tot stand kwamen. 

In de nieuwe wet heeft men getracht deze “willekeur” enigszins te objectiveren, met name door het opnemen van een aantal objectieve parameters die geval per geval moeten afgetoetst worden door de rechter. Er wordt tezelfdertijd aan de rechter een zeer strikte motiveringsplicht opgelegd zodat hij zou aantonen waarom een bepaald bedrag als onderhoudsgeld wordt opgelegd. 

2. Zo wordt voortaan een duidelijke omschrijving gegeven van wat dient verstaan te worden onder de “middelen” van de onderhoudsplichtigen. De rechter zal dus niet enkel rekening moeten houden met de inkomsten zoals begroot in de belastingaangifte, doch ook met inkomsten die niet werden aangegeven, met vervangingsinkomsten, huurinkomsten, maaltijdcheques, bedrijfswagen, en ook met niet-financiële voordelen. 

Tevens zal een rechter kunnen voortgaan op bepaalde vermoedens (weerlegbaar), wanneer uit bepaalde indiciën zou blijken dat men een betere levensstandaard heeft dan blijkt uit de aangegeven inkomsten. 

Ook de omstandigheid dat er een hypothecaire lening dient betaald te worden, of dat er onderhoudslasten zijn voor andere kinderen (uit een nieuwe relatie of kinderen van de nieuwe partner uit een vorige relatie) zal een rol kunnen spelen. 

Een ouder die vrijwillig zou stoppen met werken, teneinde zo trachten te ontkomen aan de betaling van onderhoudsgeld, is eraan voor de moeite: ook met deze omstandigheid zal de rechter rekening kunnen houden. 

3. Een andere vernieuwing is dat voortaan een duidelijk wettelijke omschrijving wordt gegeven van de “buitengewone kosten”. 

Dit was dringend nodig, gezien er niet zelden hevige discussies ontstonden omtrent welke kosten verstaan worden onder deze buitengewone kosten. 

De gewone kosten, dewelke gedekt zijn door het maandelijks te betalen onderhoudsgeld, zijn deze die verband houden met het dagdagelijkse onderhoud van het kind. 

De buitengewone kosten daarentegen zijn dan de kosten die dit maandelijkse forfait overschrijden. Concreet gaat het dus om kosten waarvan vooraf niet met zekerheid gezegd kan worden dat ze zich zullen voordoen en die moeilijk in het maandelijkse onderhoudsgeld kunnen begroot worden (“uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorzienbare uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen”). 

4. Een derde aspect betreft de wettelijke invoering van een “kindrekening”, hetgeen op heden nog niet zozeer was ingeburgerd, doch een goed alternatief biedt aan het klassieke onderhoudsgeld. Dit betreft een rekening die in naam van de beide ouders wordt geopend, en waarop elk van de ouders een bijdrage (bepaald door de rechter) zal storten. Ook de kinderbijslag en andere sociale voordelen (zoals bijvoorbeeld schoolpremie e.d.) zullen hierop gestort worden. 

De bedragen die op deze rekening gestort worden, zullen dan door de ouders dienen aangewend te worden enkel ten behoeve van het onderhoud en de opvoeding van de kinderen. De hieraan verbonden modaliteiten zullen tevens door de rechter worden bepaald. 

5. Andere belangrijke wijzigingen die de nieuwe wet met zich meebrengen zijn de volgende: -Toekenning van een ontvangstmachtiging indien het onderhoudsgeld twee, al dan niet opeenvolgende, termijnen niet werd betaald in een periode van 12 maanden voorafgaand aan het verzoekschrift. -De onderhoudsgelden worden voortaan van rechtswege aangepast aan de index. 5. Vanaf 1 augustus 2010 zal deze wet in werking treden.


2) TUSSEN ECHTGENOTEN:

6. Voor het toekennen van onderhoudsgeld na echtscheiding is de wet ook enkele jaren geleden ( 2007) gewijzigd, en wordt er enkel maar onderhoudsgeld toegekend aan de gewezen echtgeno(o)t(e) (en die zelf niet aan de basis ligt van de "duurzame ontwrichting van het huwelijk") die "behoeftig" is.

Dit begrip "behoeftigheid" wordt echter ruim geïnterpreteerd. De globale economische situatie van beide ex-echtgenoten wordt nagekeken, dit wil zeggen het geheel van hun inkomsten, hun mogelijkheden om inkomsten te verwerven en hun lasten. Zo zal dus ook gekeken worden naar de inkomsten van een vennootschap door een van de echtgenoten gecontroleerd, en dus niet alleen naar de vergoedingen die de vennootschap aan deze toekent. Het Hof van Beroep te Gent (Gent ( 11de kamer),12.3.2015,TEP, 2016, 201) bestempelt de minst begoede of economisch zwakste ex-echtgenoot op basis van die vergelijking als "behoeftig". Volgens art. 301§ 3 1ste lid, dient het bedrag van die uitkering minimaal de staat van behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde om zijn essentiële behoeften te dekken.

7. Om dan concreet het bedrag te bepalen van de alimentatie wordt hiervoor ook rekening gehouden met een eventuele aanzienlijke terugval in de economische situatie en verdienmogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde zowel door het huwelijk als wegens de echtscheiding. Heeft een partner bvb. na huwelijk bepaalde offers gebracht in haar/zijn beroepskeuze in functie van het gezin, dan zal dus ook hiermee rekening worden gehouden.

Die terugval zal in concreto beoordeeld worden op basis van i) het gedrag van de partijen in de initiële organisatie van hun gemeenschappelijk leven die een invloed hebben op de beroepsmogelijkheden (carrière) en verdienvermogen van de onderhoudsgerechtigde ii) de duur van het huwelijk en iii) de leeftijd van de partijen. 

Het onderhoudsgeld mag dan niet meer zijn dan 1/3  van de netto-inkomsten van diegene die het onderhoudsgeld dient te betalen (hierin zijn bedoeld zijn beroepsinkomsten en inkomsten uit onroerende goederen (zoals huur) en kapitaal (waardepapieren en andere beleggingen)).