DRPP
Klein maar zonder grenzen
Roland DE ROUCK Advocaat

Advocaat aan de balie te Dendermonde sinds 1982 en bijkomend te Gent sinds 2013. Nederlands, Frans, Duits. (Voor meer uitleg klik op beeld)

naar overzicht

ECHTE ZELFSTANDIGEN OF SCHIJNZELFSTANDIGEN?

Echte zelfstandigen of schijnzelfstandigen?

De zeer zware financiële lasten die bestaan bij een arbeidsovereenkomst (de sociale bijdragen voor werknemer en werkgever) hebben tot gevolg dat het een natuurlijke betrachting is, om lasten te vermijden.

De bescherming voor de werknemer, als uitgangspunt zeker nodig , heeft echter met de tijd soms zo’n merkwaardige vormen aangenomen, dat deze bescherming zelfs kan leiden tot misbruik, wat dus een bijkomende aansporing inhoudt vanuit werkgeversstandpunt, om het statuut te vermijden.

Vandaar dus dat vaak uitgekeken wordt naar andere vormen van samenwerking.

In plaats van een handelsvertegenwoordiger wordt bijv. dan eerder gewerkt met een handelsagent die dan zijn prestaties dient te factureren.

Een kleine onderneming kan ook uitkijken naar een vorm van samenwerking op basis van een vennootschap, waar de deelnemers inbrengen om een gezamenlijk doel te bereiken.

Om vennoot - aandeelhouder te zijn, moet men in de regel kapitaal inbrengen (of een goed, een roerend of een onroerend, zelfs een intellectueel goed) en welke dan moeten geschat worden door een bedrijfsrevisor. Ook kan worden ingebracht het toekomstig werk dat men er wenst te doen.

Dit laatste is evenwel enkel maar mogelijk in personenvennootschappen (zoals een VOF, CVOA of een maatschap) waar uiteindelijk de vennoot – aandeelhouder persoonlijk aansprakelijk is .

In een kapitaalvennootschap zoals een NV of een BVBA is het inbrengen van werk niet mogelijk. Men kan er dus maar aandeelhouder zijn door een inbreng te doen in kapitaal of met een inbreng van een goed.

Eens men aandeelhouder is in een kapitaalvennootschap ( NV, BVBA, CVA ) heeft men in principe recht op dividenden, die echter niet zomaar kunnen toegekend worden en die dus wel de aanwezigheid van winst en voldoende actief vereisen.

Wanneer dus de samenwerking de verwachting creëert dat op maandelijkse basis betaald wordt, kan dit wettelijk maar opgevangen worden door de functie van zaakvoerder/bestuurder te bekleden wat een niet evidente aangelegenheid is, zelfs wanneer een zaakvoerder onmiddellijk kan worden ontslaan indien hij dus geen statutair zaakvoerder is.

In de praktijk wordt dan vaak gewerkt met het begrip werkende vennoten., maar dit is geen sluitend begrip hoewel het in de praktijk in de sociale verhoudingen vaak aanvaard blijkt te worden.

Er zijn dus verschillende aspecten aan dit statuut werkende vennoten te linken, met name op gebied van arbeidsrecht, op gebied van vennootschapsrecht en op gebied van fiscaal recht. De laatste 2 worden hier niet besproken.

Op gebied van arbeidsrecht, zal de sociale inspectie vooral nagaan of er al dan niet sprake is van schijnzelfstandigheid met name of de betrokken persoon wel degelijk zelfstandig is en dus niet werkt zoals een arbeidsovereenkomst vereist, met name onder gezag, leiding en toezicht van een andere persoon (fysische persoon of rechtspersoon).

Die beoordeling gebeurt op basis van de arbeidsrelatiewet welke dateert van 2006 en die als hoofdregel aanneemt dat de wil van de partijen moet gerespecteerd worden.

Het is pas op het ogenblik dat de praktijk deze keuze uitsluit dat op dat ogenblik zal nagegaan worden of er geen sprake is van schijnzelfstandigheid. Ook het Hof van Cassatie volgt deze lijn consequent.

Hiervoor voorziet de wet (in het art. 331 e.v.) zelf vier criteria:

  • de wil der partijen;

  • de vrijheid van organisatie van de werktijd;

  • de vrijheid van organisatie van werk;

  • de mogelijkheid om een hiërarchische controle uit te oefenen.


Het kan nu zijn dat de werktijd steeds terugkeert maar het gevolg is van een organisatorische toestand.

Bijvoorbeeld: de zaak is enkel maar open tijdens die uren (en de omstandigheid dat altijd die uren moeten gerespecteerd worden) en dit leidt niet tot het stellen dat er geen vrijheid is van de werktijd.

Ook een economische hiërarchie van een persoon t.o.v. de andere leidt ook niet noodzakelijk tot het bewijs dat er sprake is van gezag, leiding en toezicht; dit wordt dus vooral op juridisch vlak beoordeeld. Het kan dus zijn dat in die samenwerking één bepaalde persoon het meer voor het zeggen heeft (vb. door zijn ervaring, kennis, financiële investeringen), zonder dat hieruit meteen afgeleid kan worden dat er sprake is van een juridische ondergeschiktheid.

Geval per geval zal dus beoordeeld moeten worden.

Wanneer men weet dat dit de vier criteria zijn, dan moet zeer consequent en oordeelkundig gehandeld worden, eens men een keuze heeft van de vorm van samenwerking.



Indien u meer informatie wenst omtrent het erfrecht, lees dan zeker ook volgende artikelen:

Keuze rechtsvorm: BVBA, CVBA of CVOA