DRPP
Klein maar zonder grenzen
Jonas VAN DEN NOORTGATE Advocaat

Advocaat aan de Balie te Dendermonde sinds oktober 2013. Nederlands, Engels en Frans. (voor meer uitleg klik op beeld)

naar overzicht

HET RECHT OP VERGETELHEID EN KRANTEN ONLINE

Probleemstelling:

Ik was ooit het onderwerp van een artikel dat online is verschenen en telkens mijn naam op internet gezocht wordt, komt dit artikel tevoorschijn. Ik wens hier echter niet langer mee geconfronteerd te worden. Kan ik hiertegen iets ondernemen? 

Het digitale tijdperk waarin we leven gaat gepaard met het opslaan van gegevens op het internet die ten allen tijde kunnen worden teruggevonden.

In een aantal gevallen kan dit schadelijk zijn. Men denke maar aan iemand die in het verleden veroordeeld is geweest voor diefstal en waaromtrent in een digitale krant een artikel is verschenen. Het spreekt voor zich dat het blijvend kunnen oproepen van dergelijke publicatie het leven van de betrokkene kan bemoeilijken. Bijvoorbeeld bij het solliciteren naar een nieuwe job.

Er bestaat geen twijfel dat deze publicaties effectief wel mogen plaatsvinden. Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voorziet immers in een recht op vrijheid van meningsuiting.

Anderzijds kan het wel onrechtvaardig lijken dat deze gegevens eeuwig online zouden kunnen worden teruggevonden. Dit zou dan kunnen gezien worden als een inbreuk op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat voorziet in een recht op eerbiediging van het privé-leven.

Het Hof van Justitie heeft met haar arrest van 13 mei 2014 getracht aan voormeld probleem het hoofd te bieden door het invoeren van een recht op vergetelheid.

Het Hof was daarbij van oordeel dat de rechten zoals weergegeven in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet absoluut zijn en men dus kan verlangen dat de gegevens niet langer ter beschikking kunnen worden gesteld.

Het Hof van Justitie dat uitspraak doet op het Europees niveau, heeft zich in haar uitspraak evenwel beperkt tot de zoekresultaten op zoekmachines (zoals Google of Bing), en heeft zich niet uitgesproken over de betrokken artikelen in online krantenarchieven.

Wie dus niet langer wenst dat zijn naam nog tevoorschijn komt bij zoekopdrachten via dergelijke zoekmachines, kan ten aanzien van deze zoekmachines een verzoek richten tot verwijdering van deze gegevens. De bekendste zoekmotor “Google”, heeft na tussenkomst van dit arrest zelfs een formulier online gezet om dergelijke verzoeken in te dienen.

Het recht op vergetelheid is evenwel ook niet absoluut.

Dit blijkt evenzeer uit het arrest, waar het Hof van Justitie wel de deur op een kier gelaten heeft voor de zoekmachines, en hen toch toegelaten heeft een deel van hun soevereiniteit te behouden door te stellen dat er wel bijzondere redenen voor handen kunnen zijn opdat deze informatie wel toegankelijk zou blijven.

Men denke bijvoorbeeld aan publieke figuren of recente feiten.

Dat de roep naar een recht op vergetelheid een “hot topic” is, blijkt uit het feit dat deze rechtspraak werd omgezet in wetgeving, alwaar het recht op vergetelheid vanaf heden wordt bevestigd in de Algemene Verordening Gegevensbescherming dewelke vanaf 25 mei 2018 van toepassing zal zijn.

Waar dus al een belangrijke eerste stap gezet is, aangezien het zoeken op internet meestal begint bij zoekmachines en niet in online krantenarchieven, blijft het toch een nadeel dat het Hof van Justitie zich daarover niet heeft uitgesproken. Wanneer een zoekresultaat uit een zoekmachine wordt gewist, dan zullen natuurlijk wel de publicaties zelf blijven bestaan.

Op dit punt is het Belgische Hof van Cassatie tussengekomen met een arrest van 29 april 2016 dat een bevestiging was van een arrest van het Hof van Beroep te Luik d.d. 25.09.2014 en waarin werd geoordeeld dat de uitgever van het digitale krantenarchief verantwoordelijk is voor de schade van een persoon, ten gevolge de publicatie van zijn naam in een online artikel.

Aldus werd geoordeeld dat het recht op vergetelheid een inmenging kan verantwoorden in de persvrijheid.

Het Hof van Cassatie oordeelde dat er in het Belgische recht een recht op vergetelheid bestaat, als bestanddeel van het recht op eerbiediging van het privé-leven.

Er werd geoordeeld tot de volledige anonimisering van het artikel. Het weze opgemerkt dat dit steeds de enige doelstelling kan zijn. Men kan niet vragen om het artikel volledig te verwijderen aangezien dit dan zou impliceren dat de geschiedenis zou worden herschreven. Het kan niet de bedoeling zijn dat men zo ver gaat.   

Alwaar dit dus het uitgangspunt is, is enige nuance wel op zijn plaats.

De beoordeling aangaande een recht op vergetelheid zal in elke veronderstelling afhankelijk zijn van de context, en is dus geen automatisme. Er zal telkens de balans gemaakt moeten worden tussen het recht op privacy en de vrijheid van meningsuiting, en slechts wanneer er het recht op privacy doorweegt, zal van een recht op vergetelheid sprake zijn. Hieruit kan onder meer worden afgeleid dat men geen recht op vergetelheid zou kunnen inroepen wanneer het gaat om recente feiten.