DRPP
Klein maar zonder grenzen
Jonas VAN DEN NOORTGATE Advocaat

Advocaat aan de Balie te Dendermonde sinds oktober 2013. Nederlands, Engels en Frans. (voor meer uitleg klik op beeld)

naar overzicht

BESCHERMING VAN DE HANDELSNAAM

Bescherming van de handelsnaam

1.Iedere onderneming beschikt over een handelsnaam. De handelsnaam is de naam waaronder een onderneming deelneemt aan het economisch verkeer en de naam waaronder zij haar activiteiten voert en dus bekend is bij het publiek.

De handelsnaam van een onderneming wordt beschermd via artikel 8 van het Unieverdrag van Parijs. De enige voorwaarde om bescherming van de handelsnaam in te kunnen roepen, is het eerste gebruik. Het recht op een handelsnaam wordt immers maar verleend aan diegene die als eerste een zichtbaar, publiek en voortdurend gebruik maakt van de handelsnaam in kwestie. Er is met andere woorden geen enkele verplichting tot voorafgaande registratie van deze handelsnaam (in tegenstelling tot wat noodzakelijk is voor merkbescherming).

2. Indien u vaststelt dat een bepaalde onderneming uw handelsnaam zou kopiëren of een handelsnaam zou gebruiken die geen kopie is, maar wel bijzondere gelijkenissen vertoont met de uwe,

en U gaat hiermee niet akkoord, zal u dus moeten aantonen dat u eerder gebruik maakte van een bepaalde handelsnaam.

Dit kan door middel van het voorleggen van uitgeschreven facturen, folders, briefpapier… Het loutere deponeren bij de kruispuntbank van ondernemingen daarentegen impliceert niet onmiddellijk een publiek gebruik. Het kan immers zijn dat uw onderneming bij het publiek gekend is onder een andere handelsbenaming dan diegene die werd ingeschreven in de kruispuntbank voor ondernemingen.

De handelsnaam hoeft bovendien niet origineel te zijn om beschermd te kunnen worden. Gaat het om banale bewoordingen, die op zichzelf geen of onvoldoende onderscheidend vermogen hebben, dan zullen deze wel beschermd worden, hoewel de beschermingsomvang beperkter zal zijn dan handelsnamen die wel een zeker onderscheidend vermogen hebben.

Een uitzondering kan erin bestaan wanneer de banale handelsnaam toch een onderscheidend vermogen heeft verworven en bekendheid bij het publiek, door middel van bijzonder intensieve en voortdurende publicitaire inspanningen. In dat geval gaat het om een algemeen bekende handelsnaam, ook als zou deze dan beschrijvend zijn.

3. Wanneer men zich kan beroepen op handelsnaambescherming door middel van zo’n eerste gebruik, dan impliceert dit het recht om derden te verbieden een identieke of een gelijkaardige handelsnaam te gebruiken. Dergelijke praktijken kunnen immers misleidend zijn, of de andere onderneming een onrechtmatig voordeel verschaffen door mee te surfen op de bekendheid van een oudere handelsnaam en onderneming.

Anderzijds is de bescherming niet absoluut en zal deze slechts worden toegestaan voor zover er verwarring zou kunnen bestaan in hoofde van de gemiddelde consument aangaande de onderneming waarmee hij effectief contracteert (art. 10bis, 3°, 1° van het Unieverdrag van Parijs).

Dergelijk verwarringsgevaar kan worden aangenomen indien het relevante publiek (de consumenten waartoe de ondernemingen zich richten) van mening kan zijn dat de handelsactiviteiten kunnen worden toegeschreven aan dezelfde onderneming of aan een onderneming die ermee verbonden is. Verwarring kan met andere woorden rechtstreeks zijn, met name wanneer de consument de overeenstemmende benamingen zo verwart, dat deze denkt dat beide ondernemingen dezelfde zijn, of onrechtstreeks, wanneer de consument wel ziet dat de handelsnamen verschillend zijn, maar meent dat de ondernemingen en dus de handelsnamen met elkaar verbonden zijn.

4. Opgelet, om te besluiten of er verwarring mogelijk is, moet nog steeds een in concreto beoordeling worden toegepast, rekening houdende met alle omstandigheden, en waarbij moet worden uitgegaan van de totaalindruk van de benamingen.

Zo moet minstens worden beoordeeld:

(1) wat de gelijkenis is tussen de handelsnamen op auditief, visueel en conceptueel vlak, en waarbij dus moet rekening worden gehouden met de volledige benamingen zoals ze effectief en concreet gebruikt worden.

(2) wat en of er een gelijkenis is tussen de activiteiten van de ondernemingen. Hierbij moeten de activiteiten niet gelijk zijn, doch volstaat het dat potentieel hetzelfde publiek aangesproken wordt, zodat een band kan worden vermoed tussen beide ondernemingen.

(3) wat het geografische gebied is van de ondernemingen, waar zij hun activiteiten uitoefenen. Hoe dichter ondernemingen zich bij elkaar bevinden, of naarmate het territorium waarbinnen ondernemingen opereren overlapt, hoe groter het verwarringsgevaar immers zal zijn.

Deze voorwaarden moeten niet noodzakelijk allen vervuld zijn, maar hangen wel onderling samen, in die zin dat wanneer de activiteiten niet overeenstemmend zijn, doch de benamingen wel in grote mate gelijkend zijn, er toch tot verwarring zou kunnen worden besloten.

Is aan bovenvermelde voorwaarden voldaan, kan verzocht worden een verbod op te leggen ten aanzien van de andere onderneming om die handelsnaam nog verder te gebruiken.

JVDN 18/08/2018