DRPP
Klein maar zonder grenzen
Roland DE ROUCK Advocaat

Advocaat aan de balie te Dendermonde sinds 1982 en bijkomend te Gent sinds 2013. Nederlands, Frans, Duits. (Voor meer uitleg klik op beeld)

naar overzicht

GROTERE TRANSPARANTIE VOOR DE BELEGGERS

Grotere transparantie voor de beleggers

1.Onder impuls van Europa zijn er een reeks van regels tot stand gekomen na de rampzalige gebeurtenissen in 2008 om de instorting van de financiële wereld trachten te voorkomen.

Een grotere financiële kapitaalbuffer, een verplicht onderzoek van het profiel van de belegger en een reeks van andere maatregelen zijn dus terug te vinden in de richtlijn MIFID II (2014/65/EU).

Richtlijnen moeten omgezet worden in nationale wetgeving en bij wet van 21 november 2017 werd de kaderwet van 2 augustus 2002 (aangaande het toezicht op de financiële wereld en financiële diensten) aangepast en is er tevens een Koninklijk besluit van 19/12/2017 die deze regels aanvult.

Deze regels betreffen dan vooral regels voor grotere transparantie bij de professionele belegger om te voorkomen dat er tegenstrijdige belangen zouden kunnen bestaan bij beleggingen.

De dienstverlening binnen de financiële wereld ging in het verleden soms gepaard met misbruiken  (soms operaties met een tegenpartij die eveneens handelt met de bank).

Dit was in het verleden al verboden doch zeer moeilijk te detecteren, laat staan aan te tonen.

2. Met de nieuwe wetgeving wordt een reeks van verplichtingen opgelegd bij de financiële instellingen en al de ondernemingen die zich bezighouden met beleggingen.

In eerste instantie moet de financiële instelling een organisatie op punt zetten die structureel dergelijke belangenconflicten doet vermijden.

Wanneer dit voor bepaalde transacties niet mogelijk is, dan is er thans de positieve informatieplicht voor de financiële instelling dat dergelijke tegenstrijdigheid van belangen zou kunnen tot stand komen.

Meer nog, het art. 28 § 2 van die wet van 2 augustus 2002 voorziet dat de financiële instelling noch rechtstreeks noch onrechtstreeks enige financiële vergoeding mag ontvangen om potentiële klanten aan te sporen voor specifieke beleggingen.

Dit zijn vergoedingen ten aanzien van een onderneming, van haar bestuurder, haar aangestelden, haar agenten of elke persoon die op één of andere wijze gebonden is met de financiële instelling.

Ook het begrip “inducement” werd ingevoerd.

Zonder er een precieze definitie van te geven, lijkt deze wel alle mogelijke vergoedingen, commissies, financiële of niet-financiële voordelen te omvatten.

De transparantie wordt gecreëerd door de verplichting om bewijsstukken ter beschikking te stellen die aantonen dat deze inducements die dus effectief zouden gestort zijn, hoogstens maar tot doel hebben om de dienstverlening ten opzichte van de klant te verbeteren.

De beheerder moet hiervoor een interne lijst opmaken en bewaren van alle mogelijke “inducements“ van derden en dan ook de wijze noteren waarop deze de dienstverlening ten aanzien van de klant effectief zou hebben verbeterd.

De financiële onderneming heeft dus dan de plicht om de klant op een duidelijke wijze over de bestaande aard en omvang van deze inducement ontvangen van derden precies mede te delen en dit minstens éénmaal per jaar[1].

Er bestaan enkele uitzonderingen voor beperkte vergoedingen of voor opzoekingswerken, doch ongetwijfeld zullen deze maatregelen bijdragen tot een herscholing van de verschillende financiële tussenpersonen en tot een verhoogde waakzaamheid om dus de financiële operatie op een zo volkomen rechtmatige wijze te verrichten.


RDR 08/08/2018


[1] Art. 6 § 5 ten 3de, K.B. van 19/12/2017